|
Dik zijn heeft niks met
erfelijkheid te maken. Dat zegt Frits
Muskiet, hoogleraar pathofysiologie en
klinisch-chemische analyse aan de
Universiteit Groningen. "Obesitas is geen
ziekte, het is een grote risicofactor voor
diabetes en hart- en vaatziekten."
Er zijn veel meer risico's,
zegt Muskiet die Surinaamse ouders heeft
maar geboren en getogen is op Curaçao. "Het
is op dit moment de meest belangrijkste
oorzaak van onvruchtbaarheid bij de vrouw."
Vaak wordt er gezegd dat dik-zijn in de
familie zit, omdat de ouders ook dik zijn.
"Dat is niet zo. De erfelijke vorm van
obesitas is uitermate zeldzaam, de kans dat
iemand dat heeft is bijna nul."
Statussymbool
"Nog nooit eerder zijn we in zo'n obesogene
omgeving geweest, tegenwoordig kunnen we
zoveel en zo vaak eten wat we willen. Dat
breekt ons op, omdat onze genen ons wel
degelijk aanzetten om veel te eten." Dik
zijn heeft bij sommige bevolkingsgroepen een
statussymbool. "Groepen die van
betrekkelijke armoede overgaan in welvaart,
dat zij zich vol eten."
Een van de boosdoeners is
suiker. Het is een van de stoffen die ons
een prikkel geven om meer te eten. "De
cultuur die we om ons heen hebben gecreeërd,
brengen we over op onze kinderen. Geef zelf
het goede voorbeeld."
Luister naar
hoogleraar Frits Muskiet in gesprek met
Harold Biervliet. |
Datum: 04 maart 2008 Bekijk
hier de video
De afgelopen
tweehonderd jaar zijn steeds meer mensen
gaan lijden aan obesitas en een aantal
typische westerse welvaartsziekten zoals
hart- en vaatziekten, diabetes, sommige
soorten kanker en osteoporose. Volgens Frits
Muskiet, hoogleraar Pathofysiologie en
Klinisch Chemische Analyse aan de
Rijksuniversiteit Groningen, wordt deze
explosieve stijging veroorzaakt doordat onze
genen nog uit de oertijd stammen en niet
goed aangepast zijn aan onze huidige
omgeving.
160.000 jaar
geleden leefden onze voorouders als
jagers-verzamelaars in Oost-Afrika. Hun
genen waren perfect aangepast op die
Afrikaanse omgeving. Sinds die tijd is er
veel gebeurd. We gingen landbouw bedrijven;
onze welvaart groeide langzaam en gestaag en
vanaf de industriële revolutie explosief.
Maar, stelt Muskiet, onze genen zijn in die
tijd nauwelijks mee veranderd. ‘Onze genen
veranderen gemiddeld met een snelheid van
ongeveer 0,5% per miljoen jaar. Onze
genetische bouw is dus min of meer hetzelfde
gebleven.’
Doordat onze genen uit de oertijd niet goed
aangepast zijn op onze huidige omgeving,
ontstaan er conflicten. ‘Vanwege onze
evolutionaire achtergrond zijn we
bijvoorbeeld zuinig met energie. We eten
daarom het liefst zoveel mogelijk en zijn
van nature lui, want er kon vroeger zomaar
een hongersnood uitbreken.’ In de huidige
dikmakende omgeving met weinig fysieke
activiteit leidt dit ‘zuinige genotype’ tot
obesitas. Muskiet denkt dat veel van onze
westerse welvaartsziektes verklaard kunnen
worden uit conflicten met ons oergenoom.
Daarom is het van belang te weten wat onze
voorouders precies aten. ‘Dat kan
gereconstrueerd worden via de archeologie,
antropologie, vergelijkende anatomie, (patho)fysiologie
en genetica. Zo blijkt uit archeologische
vondsten dat we vooral dicht bij zoet water
leefden en veel vis, schelpdieren, eieren,
groente en fruit aten.’
Volgens
Muskiet hoeven we niet precies dezelfde
dingen te consumeren als een oermens als we
langer gezond willen blijven. ‘Ik zeg niet
dat we rauw vlees of allerlei knollen moeten
gaan eten.’ Wel constateert Muskiet een
aantal ‘fouten’ in onze huidige voeding als
hij kijkt naar het eetpatroon van onze
voorouders. ‘Er is o.a. een disbalans tussen
het aantal eiwitten, vetten en koolhydraten
dat we eten. We krijgen veel te veel
koolhydraten binnen. Maar daar zijn we niet
op gebouwd. Voor de ontwikkeling van de
landbouw aten we nagenoeg geen koolhydraten
uit granen. Vooral de ‘snelle’ koolhydraten
zijn slecht, omdat ze een hongergevoel
veroorzaken.’
Ook eten we teveel transvetzuren (deze
ontstaan vooral bij het harden van vetten).
‘Deze vetzuren komen in de natuur nagenoeg
niet voor en veroorzaken volgens scenario’s
van het RIVM meer doden dan het verkeer. Wat
mij betreft zouden ze verboden mogen
worden.’ Ook zouden we meer visolie kunnen
gebruiken. Bovendien krijgen we te weinig
vitamine D en foliumzuur binnen. ‘Bijna alle
Nederlanders hebben een vitamine D tekort.
Dat leidt tot een verhoogd risico op diverse
ziektes, waaronder osteoporose.’
Muskiet
vindt dat er weinig aandacht is voor
omgevingsfactoren (zoals voeding) bij het
onderzoek naar het ontstaan van ziektes. ‘Er
is een overdreven belangstelling voor de
genetica in de geneeskunde. Minder dan vijf
procent van de ziektes heeft een puur
genetische basis.’ Het overgrote deel wordt
veroorzaakt door de omgeving, waarbij ons
erfelijk materiaal een secundaire rol
speelt. ‘Als ik een pot met zwavelzuur
leegdrink en dood neerval, geeft niemand de
schuld aan mijn genoom.’ Omdat dergelijke
acties nooit voorkwamen, heeft de evolutie
ons niet uitgerust met genen die voorkomen
dat we hieraan doodgaan. ‘Waarom zien we de
analogie hiervan niet met het eten van
teveel verzadigd vet of te weinig vis?
Diegenen die in genetische zin het meest
gevoelig waren voor onze verandering van de
omgeving zijn het eerst ziek geworden en bij
voortdurende verandering worden we
uiteindelijk allemaal ziek.’
Curriculum
vitae
Prof. dr. Frits A.J. Muskiet (1950)
studeerde scheikunde aan de
Rijksuniversiteit Groningen. In 1974
studeerde hij af in de biochemie en
promoveerde in 1979 met als proefschrift
‘Determinations of catecholamines and
catecholamine (precursor) metabolites in
biological fluids and their clinical
applications’. In die tijd werd hij klinisch
chemicus in het Universitair Medisch Centrum
Groningen. Sinds 2000 is hij hoogleraar
Pathofysiologie en Klinisch Chemische
Analyse.
Prof.dr.
Frits Muskiet |